Geschiedenis
van het hoogspringen
Deel
1: Ray Ewry - The Standing Jumper
Deel
2: George Horine - Uitvinden van de zijrol
Deel
3: De Buikrol
Deel
4: Fosbury Flop (filmpje)
1.
Ray Ewry - The Standing Jumper
De
oudste aanduidingen dat er ooit aan hoogspringen werd gedaan
in de oudheid gaat over een wedstrijd die gehouden werd
te Kreta, 1000 jaar voor Christus. Jonge mannen sprongen
er over een levende stier. De Olympische Spelen van de oudheid
maken geen melding van hoogspringen. In 1869 werden de eerste
moderne Olympische Spelen georganiseerd te Athene. In 1895
sprong Michael Sweeney de mooie hoogte van 1,97m.
Maar
hier zou ik toch liever Ray Ewry
voorstellen. In 1900 won deze Amerikaan drie medailles:
het hoogspringen, de driesprong en het verspringen uit stand.
Hij zou hetzelfde resultaat halen op de Olympische Spelen
van 1904 en 1908. In 1912 werden de sprongen zonder aanloop
niet meer geprogrammeerd. In het hoogspringen haalde Ray
1,65m, in het verspringen 3,21m en in de driesprong 10,58m.
Ray had als kind polio gehad zodat hij veroordeeld was tot
de rolstoel. Hij begon op eigen houtje te trainen en werd
een ijzer sterke atleet. Uit de foto’s van toen kan
men afleiden dat men zowel de afstoot als de landing op
gras uitvoerde, en dat beide voeten naast elkaar stonden
bij de afstoot.




Deze
foto's zijn allemaal van Ray Ewry.
2.
George Horine - Uitvinder van de zijrol
In
de geschiedenis van het hoogspringen kan men George
Horine niet over het hoofd zien. In het begin van
de twintigste eeuw was de schaarsprong de meest voor de
hand liggende techniek. Tot George Horine in 1912 met een
gans nieuwe techniek voor de dag kwam: de zijrol. Met zijn
nieuwe techniek sprong George op korte tijd twee meter hoog.
Meteen een nieuw en sterk wereldrecord.
Horine
vertelt:”Het is bij toeval dat ik gedwongen werd een
andere techniek toe te passen. Ik sprong toen 1,55m met
schaarsprong. We waren met enkele kameraden aan het hoogspringen,
maar op een klein terrein: ongeveer 3,65m breed en 12m diep.
De staanders konden niet verplaatst worden. De anderen konden
van links aanlopen en met de rechter voet afstoten omwille
van de beperkte ruimte was ik gedwongen ook van links aan
te lopen en met het linker been af te stoten. Dit was de
geboorte van een gans nieuwe techniek. Korte tijd na die
omschakeling begon ik snel te verbeteren. Twee weken later
sprong ik reeds 1,75m. Eerst liep ik aan van recht voor,
om wat later van schuin links aan te lopen.” Hij trok
het afstootbeen onder het zwaaibeen en boven de lat door,
terwijl hij evenwijdig aan de lat passeerde.
Het
grote voordeel was dat bij het passeren van de lat het zwaartepunt
beduidend lager ligt dan bij de zijschaar. In die periode
landde men op het gras, of in een zandput te vergelijken
met de huidige verspringput. De landing gebeurde op het
afstootbeen en de twee handen, soms gevolgd van afrollen
op de rug. Toen Horine sprong was hij verplicht het ganse
lichaam een moment boven de lat te hebben: tot in 1935 gold
immers een punt uit het reglement waarbij het niet toegelaten
was de voet over de lat te duwen vooraleer het hoofd was
gepasseerd.
In
België zou men nog meer dan vijftig jaar moeten wachten
vooraleer Yves Theysen in 1964
twee meter sprong. (buikrol) . De beste zijrolprestatie
in België zou in 1953 geleverd worden door de Bruggeling
Walter Herssens. (1,96m.).
Om met zijn heup (afstootzijde) de lat te ontwijken zagen
wij Walter zowel met een rollende uitvoering als met een
soort rugstrekking springen.
De
zijrol was lange tijd de enige techniek met kans op grote
hoogtes: In 1952 nog werd Walter Davis
Olympisch kampioen en recordhouder met 2,04m. (persoonlijk
record van Davis was toen 2.09m).


Walter
Herssens en Walter Davis
3.
De Buikrol
In
ons land was tot na 1955 de zijrol de meest toegepaste hoogspringtechniek.
Nochtans was de buikrol reeds een succes voor de tweede
wereldoorlog. Het is de zwarte atleet Albritton
die de buikrol voor het eerst toepast. Hij wordt zes keren
Amerikaans kampioen tussen 1937 en 1950.
Rond
1938 is Steers een vernieuwer.
De haltertraining was toen nog niet in voege. Hij heeft
zijn eigen methode om de sprongkracht te versterken: hij
voert een enorm aantal sprongen uit op grote hoogte. In
1941 haalt hij, uiteraard op assepiste, 2,11m. De landing
gebeurt in die tijd op zand. Hij draagt slechts één
spike. De oorlog zou de opmarch van Steers breken, maar
tevens ook het hoogspringen: tot in 1953, dus twaalf lange
jaren, zou niemand beter springen.
Tussendoor
komt opnieuw een zijrolspringer aan de beurt: Walter
Davis. Als achtjarige door polio verlamd aan beide
benen geneest hij zichzelf. Hij dankt zijn progressie aan
zijn veelvuldige en intensieve sprinttraining.
En
dan komt Juri Stepanov uit
Rusland. In 1957 springt hij 2,16m tot blijkt dat zijn vooruitgang
te wijten is aan een technische vondst: hij springt namelijk
met een sterk verhoogde oplopende zool aan de afstootvoet,
tot 3 à 4 cm dik; dit werkt als een draagbare afstootplank.
In 1958 komt de IAAF tussen en beperkt de dikte van de zool
tot 12,7mm.
Valerie
Brumel,
geboren in 1942, brengt de haltertraining binnen. In 1961
springt hij 2,25m, nog geen 20 jaar oud. In de winter neemt
zijn training omvangrijke en veelzijdige proporties aan:
hij loopt de 100m in 10”5 en springt 7,65m ver. In
1963 springt hij in de regen voor 95.000 toeschouwers 2,28m.
De menselijke geschiedenis van Valeri is tragisch en tegelijk
bewonderingswaardig: in 1965 is hij slachtoffer van een
motorongeval; tot tweemaal toe wil men zijn been amputeren.
Hij verbaast iedereen door zijn moed en wilskracht. Als
hij na een jaar de kliniek verlaat valt hij als hij probeert
zonder krukken te lopen. In 1969 komt hij opnieuw onder
atleten en springt 1,95m. In 1970 haalt hij zelfs nog 2,06m.
Wellicht zijn prachtigste prestatie.

Valerie
Brumel
De
Chinees Ni-Chin Chin, traint
op basis van filmopnamen van Valeri. Verstoken van buitenlandse
contacten zou hij tijdens een demonstratie 2,29m halen.
Pat Matzdorf, een Amerikaans
student met een snelle aanloop brengt het wereldrecord in
1971 op 2,29m. In deze periode bestaat reeds de Forsburyflop
(Dick Fosbury in 1968 Olympisch winnaar met 2,24m).
De
laatste roemrijke buikrolspringer is Vladimir
Yashenko.
Hij
realiseert de hoogste buikrolprestatie ooit: In 1977 springt
hij indoor 2,33m, en het jaar nadien in openlucht 2,34m.(WR)
Hij is slechts 17 jaar oud. Dit is verwonderlijk als men
beseft dat de buikroltechniek zeer veel kracht vergt. Vladimir
overlijdt in 2000, 40 jaar oud.
Specialisten
beweren dat we nog het beste van de buikrol niet gezien
hebben, en wellicht nooit zullen zien omdat tegenwoordig
overal de floptechniek wordt toegepast.Beide technieken
hebben hun sterke aspecten. Bij de buikrol is het vooral
de invloed van het gestrekte slingerbeen, terwijl bij de
flop de boogvormige snelle aanloop voordelen biedt. De floptechniek
kan ook worden toegepast door grotere en lichter gebouwde
atleten, met hoog zwaartepunt, terwijl de buikroltechniek
meer kracht vereist.
De
buikrol op grote hoogte geeft een enorme indruk van kracht
terwijl de flop bij goede uitvoering zeer gracieus en licht
oogt.
(Tekst:
Bert Van der Linden) .
.